miércoles, 25 de noviembre de 2020

Europese steunmaatregelen voor Spanje

De crisis in Spanje is een Nederlands probleem

Spanje verkeert momenteel in zware problemen: het land heeft met 127 per 100.000 inwoners verreweg de meeste coviddoden van geheel Europa, de economie wordt verwacht met ruim 18% te krimpen en de werkloosheid tot 25% te stijgen als gevolg van de extreme lock downmaatregelen die daar afgelopen voorjaar genomen zijn en nu deels weer van kracht zijn, een diepgaande crisis veroorzakend die het land naar verwachting de eerst komende vijf jaar niet meer te boven zal komen.

De toestand in Spanje dient ons ook hier in Nederland grote zorgen te maken. Het is immers niet een klein land met een kleine economie zoals Griekenland of Portugal (met alle respect voor beide landen), doch gaat het om één van de vier na de Brexit overgebleven grote economieën van de Europese Unie, die zelfs belangrijker geacht moet worden dan die van Italië of zelfs Frankrijk. De reden is dat Spanje het land is dat het grootste deel van de Nieuwe Wereld zijn taal en cultuur gegeven heeft en waar nog steeds hoog tegen moederland Spanje opgekeken wordt; gaat het in Spanje goed, dan is dat een inspiratie voor geheel Latijns Amerika, doch gaat het in Spanje slecht, dan heeft dat in Latijns Amerika direct morele en daarop volgend, economische gevolgen. Een langdurige crisis in dat land zal daarom niet alleen ons in Europa, doch de gehele westerse wereld op een gevaarlijke manier verzwakken, iets wat wij ons in Nederland, dat deel uitmaakt van Europa en van de westerse wereld, ons niet kunnen veroorloven gezien de opmars van een aantal nieuwe grootmachten die reeds op niet mis te verstane wijze te kennen hebben gegeven slechts minachting te koesteren voor onze westerse opvattingen over vrijheid, democratie en mensenrechten.

Het tragische is nu dat de problemen in Spanje niet van vandaag of gisteren zijn, doch diep gewortelde oorzaken hebben. Helaas kennen wij Spanje als een economisch instabiel land: de werkloosheid oscilleert daar tussen de 8% en 28% in plaats van tussen de 0% en 8% (maximaal) zoals in ons eigen Nederland en het begrotingstekort, dat structureel is, tussen de -20% en -2% in plaats van tussen de -2% en +2% van het BNP zoals in Nederland.

Ook al zijn de oorzaken velerlei en complex, zijn ze op een beperkt aantal disfunctionerende factoren terug te voeren. Zonder volledig te willen zijn, zijn verreweg de belangrijkste een falend belasting- en premiestelsel dat structureel te weinig opbrengt doordat het de tributen op een verkeerd moment heft, doorgaans voordat het inkomen verdiend is, een oerwoud van vaak tegenstrijdige regelgeving op alle niveaus die burgers en bedrijven belemmert in hun groei en inkomensvorming, een topzware overheidsadministratie met vaak elkaar tegenwerkende instanties en een overbodige zogeheten paralelle administratie die de staat jaarlijks een slordige 25 miljard € kost.

Spanje bevindt zich momenteel op een cruciaal moment. Het land heeft financiële steun nodig en heeft die ook aangevraagd bij haar Europese partners. In juli zijn er afspraken gemaakt om die steun te verlenen wanneer die aangevraagd wordt. Spanje kan dan rekenen op een totaal van 140 miljard €, waarvan 72,7 miljard directe steun en de rest leningen die zeer terecht aan strenge voorwaarden gebonden zijn. Hiertoe dient de Spaanse regering evenwel een nieuwe geloofwaardige begroting te presenteren (men werkt nog steeds met die van 2016) die de schuldverschaffers de zekerheid geeft dat het geleende geld volledig en op tijd terugbetaald wordt.

De voorwaarden voor het accepteren van de nieuwe begroting zijn uitgebreide bezuinigingen en hervormingen, dat wil zeggen dat de nieuwe begroting niet alleen dient aan te geven hoeveel er bezuinigd wordt, maar ook waarop en hoe. Alle hervormingen dienen één gemeenschappelijk doel te hebben: het creëren van economische activiteit (oprichten van nieuwe bedrijven en het groeien van bestaande bedrijven) en het afslanken van de diverse overheidsapparaten.

In het navolgende ga ik niet in op de hoeveelheden die op de Spaanse overheidsbegroting bezuinigd moeten worden, maar wel op de hervormingen die essentiëel zijn om van Spanje eindelijk een competitief land te maken en onder brede lagen van de bevolking als wenselijk worden beschouwd. Ze zijn onder te verdelen in de drie grote blokken ZZP-ers, bedrijven en overheid.

ZZP-ers

Sociale premieheffing

Alvorens dieper in te gaan op de zware problemen die met name ZZP-ers in Spanje ondervinden, in Spanje “autónomos” geheten, is het nodig een aantal eigenschappen van het Spaanse belasting- en premiestelsel uit te leggen. In tegenstelling tot in Nederland en vele andere landen om ons heen worden in Spanje de inkomstenbelasting en de sociale verzekeringspremies gescheiden en door twee aparte ambtelijke diensten geheven. Voor de inkomstenbelasting is de Belastingdienst verantwoordelijk (in het Spaans “Agencia Tributaria”) en voor de sociale premies de Sociale Zekerheid (“Seguridad Social”). Een werknemer of ZZP-er moet bij beide diensten ingeschreven staan. Tot voor kort was er geen koppeling tussen de databanken van beide diensten. De heffingsmethoden van beide diensten zijn ook geheel verschillend. Waar de inkomstenbelasting net als in Nederland volgens het schijvensysteem geheven wordt met over iedere schijf een percentage, met dat verschil dat er in Spanje vijf en in Nederland drie schijven zijn, worden de sociale premies volgens een systeem van tien schijven berekend met voor iedere schijf een vast bedrag per maand.

De inkomsten die de overheid verkrijgt uit sociale premies worden in hun geheel gebruikt voor uitkeringen (in Nederland WW, ZW, Bijstand) en pensioenen (in Nederland AOW, ANW, WIA, WAO). Het ingeschreven staan bij de Sociale Zekerheid geeft in Spanje evenwel ook recht op gezondheidszorg. De kosten van de gezondheidszorg worden daarentegen geheel uit belastingopbrengsten gefinancierd.

Degenen die de gevolgen van deze gescheiden heffing aan den lijve ondervinden zijn vooral de ZZP-ers. Worden bij mensen in loondienst de sociale verzekeringspremies nog redelijk proportioneel via een schijvensysteem geheven, bij ZZP-ers is dat in het geheel niet het geval. Deze categorie verdieners betaalt maandelijks een vast bedrag aan sociale premies, ongeacht het inkomen. Voor ZZP-ers zonder BV bedraagt dit minimaal 290 €/maand en voor ZZP-ers met BV minimaal 400 €/maand. Deze bedragen worden jaarlijks bij Koninklijk Besluit door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgesteld. Voor ZZP-ers die goed verdienen zijn dit alleszins overzichtelijke bedragen. Evenwel, naar schatting 75% van de ZZP-ers verdient voor belasting- en premiehefffing niet meer dan 25.000 €/jaar en bij de minste of geringste tegenvaller worden de maandelijks terugkerende vaste sociale premies een moeilijk te dragen last. We zien dan ook dat iedere keer wanneer er in Spanje een crisis is, vele ZZP-ers hun bedrijf sluiten.

In het verleden golden dezelfde vaste bedragen ook voor beginnende ZZP-ers, die voordat zij ook maar één eurocent hadden verdiend, gelijk die hoge bedragen moesten betalen. Mede onder druk van mijzelf is deze regelgeving verzacht. In 2011 publiceerde ik op mijn blog https://jfbakker.blogspot.com/2011/04/las-empresas-los-autonomos-y-como-salir.html een artikel waarin ik voorstelde de sociale verzekeringspremies inkomensafhankelijk te maken, mij daarbij baserend op het Nederlandse stelsel. Dit artikel werd tot mijn grote verrassing buitengewoon goed ontvangen binnen het collectief van de ZZP-ers, waarna ik zelfs meerdere malen benaderd werd door politici van de toenmalig regerende Volkspartij (Partido Popular). Twee jaar daarna, in 2013, werd een hervorming van het premiestelsel voor ZZP-ers doorgevoerd waarin voor startende ZZP-ers een tarief van 50 €/maand gold dat geleidelijk aan gedurende de twee jaren volgend op hun start opgevoerd werd naar het toenmalige standaardbedrag van 262 €/maand. De maatregel was dermate succesvol dat de daling van de werkloosheid na 2013 vrijwel geheel toe te schrijven was aan het aantal startende ZZP-ers (https://jfbakker.blogspot.com/2014/08/los-autonomos-lideran-la.html).

Evenwel, deze regeling bleef onafhankelijk van het inkomen; het gaf uitsluitend tijd om op te starten en tot een zekere omzet te komen. Wat Spanje daarentegen dringend nodig heeft, en zeker in de huidige tijden, is een stelsel waarin de af te dragen sociale premies geheel afhankelijk worden van het inkomen. Alle verenigingen van ZZP-ers in Spanje eisen dit al jaren van de overheid. Nu de databanken van de Sociale Zekerheid en belastingdienst aan elkaar gekoppeld zijn, is er geen enkele reden meer om het inkomensafhankelijk maken van de sociale premies nog verder uit te stellen.

In Spanje moet een ZZP-er van iedere factuur die hij uitschrijft 21% afdragen aan de Belastingdienst. Bij de jaarlijkse belastingaangifte (in Spanje in juni van ieder kalenderjaar), worden de vooraf afgedragen bedragen gecorrigeerd voor wat de ZZP-er werkelijk had moeten betalen, waarna of bijbetaling volgt, of teruggave. Er zijn nu twee mogelijkheden om de gewenste inkomensafhankelijkheid van de sociale premies te bereiken: de eerste is dat het percentage vooraf van iedere factuur af te dragen inkomensbelasting met enkele procentpunten wordt verhoogd ten behoeve van de sociale premies. De tweede is dat de ZZP-er de mogelijkheid geboden wordt meerdere malen per jaar belastingaangifte te doen, per half jaar of per kwartaal en dat deze belastingaangifte voor de komende periode de hoogte van de af te dragen sociale premies bepaalt, met een zeer laag minimumtarief voor de laagste inkomens, dat 0 €/maand kan zijn, maar in geen geval meer dan 50 €/maand.

Deze maatregel zal een ongekende verlichting betekenen voor de lasten waarmee Spaanse ZZP-ers te worstelen hebben en zal voorkomen dat vele ZZP-ers hun zaak moeten sluiten en daarmee de werkloosheid nog verder toeneemt. Het huidige heffingsstelsel geldt als een krachtige vernietiger van werkgelegenheid in tijden van crisis, terwijl het in gunstige tijden een vertager is van de groei van de daarvan. Met de voorgestelde wijziging zal dit mechanisme omkeren: in tijden van crisis wordt het een stootkussen voor de werkegelegenheid en in gunstige tijden een aanjager ervan.

BV´s

In Nederland maken vele ZZP-ers niet alleen om fiscale, maar ook om commerciële redenen gebruik van een BV, in Spanje “SL” geheten (“Sociedad Limitada”). Dit is in Spanje een stuk moeilijker: het is nog steeds zo dat men voor het oprichten van een SL, 3.000 € aan kapitaal moet storten en deze bij de notaris moet laten registreren wat extra kosten met zich meebrengt. Eveneens betaalt de ZZP-er die een SL bestuurt hogere sociale premies dan een ZZP-er zonder SL. Beide vereisten dienen te vervallen, zodat een Spaanse ZZP-er, net als zijn Nederlandse collega, zonder extra kosten en periodieke lasten een SL kan bezitten en besturen.

Gemeentelijke vergunningen

Degeen die een winkel- of horecabedrijf wil beginnen dient in verreweg de meeste gemeenten een zogeheten openingsvergunning te hebben (“licencia de apertura”). Deze vergunning behelst voornamelijk veiligheidsaspecten van het pand waarin het bedrijf gevestig is. Het is een gemeentelijke vergunning en wordt in het algemeen beschouwd als een tijd- en geldverslindende last daar deze verkregen dient te worden voordat het bedrijf voor het publiek zijn deuren opent. Eveneens is de vergunning gebonden aan het bedrijf i.p.v. het pand. Dat laatste wil zeggen dat bij overname van een bestaand bedrijf en bij nieuwvestiging de ondernemer een nieuwe vergunning moet aanvragen, ook al blijft hetzelfde bedrijfstype in het pand gevestigd. Afhankelijk van de voortvarendheid van de betreffende gemeente kan de vergunningprocedure enkele weken tot vele maanden duren; er is namelijk geen standaard voor de duur van de verschillende procedures (er zijn zelfs gevallen van meerdere jaren bekend), gedurende welke de ondernemer gedwongen is de vaste lasten van zijn bedrijf te betalen (huur en sociale premies).

Reeds in 2012 is landelijk een wet aangenomen die de openingsvergunning vervangt door een zogeheten verklaring van verantwoordelijkheid (“declaración responsable”). Hierin wordt het de ondernemer toegestaan zijn bedrijf te openen na louter de gemeente van dit feit in kennis te hebben gesteld. Later volgt dan inspectie van politie en brandweer waarna de ondernemer zijn bedrijf kan voortzetten, al of niet na het uitgevoerd hebben van eventuele aanbevolen of verplichte verbeteringen. De wet werd echter niet onmiddellijk van kracht; het werd aan de gemeenten overgelaten deze in de jaren daarna toe te passen.

In de praktijk zijn gemeenten over het algemeen zeer terughoudend geweest in het toepassen van deze wetgeving daar deze met de afschaffing van de openingsvergunning een belangrijke inkomstenbron misten, daar voor deze vergunning moest worden betaald. Alleen van de steden Málaga en Madrid weet ik dat deze verklaring van verantwoordelijkheid zijn gaan toepassen met een algehele opbloei van de plaatselijke middenstand als gevolg. Vanzelfsprekend dient de verklaring van verantwoordelijkheid over het gehele land nu dwingend aan alle gemeenten opgelegd te worden.

Bedrijven

Ontslagrecht

Spanje kent een in tweeën gedeelde arbeidsmarkt. Aan de ene kant zijn er degenen die een vaste aanstelling hebben en aan de andere kant zij die dat niet hebben en bijvoorbeeld een tijdelijke aanstelling of één voor een bepaalde opdracht hebben. Een vaste aanstelling geeft recht op een hoge schadevergoeding in geval van niet gedwongen ontslag. Traditioneel bedroeg deze schadevergoeding 45 dagen salaris per gewerkt jaar. Bij de herziening van 2012 werd deze over de gehele linie velaagd naar 33 dagen salaris per gewerkt jaar, hetgeen tot een aanmerkelijke toename van het aantal vaste dienstverbanden heeft geleid. Het vanzelfsprekende gevolg is dat hoe langer de werknemer in dienst is, hoe hoger de schadevergoeding uitvalt. Andere aanstellingsvormen kennen deze schadevergoedingsregeling niet.

Het bestaande ontslagrecht heeft ingrijpende gevolgen. Jonge werknemers worden doorgaans op tijdelijke basis aangenomen en werkgevers zijn er zeer terughoudend in om tijdelijke contracten om te zetten in vaste contracten. Weliswaar mag een tijdelijke aanstelling slechts een beperkt aantal keren met eenzelfde periode verlengt worden, maar daar wordt mee gesjoemeld, bijvoorbeeld door verschillende SL-s te gebruiken voor één en hetzelfde bedrijf.

In tijden van crisis zijn het niet de minst productieve werknemers die het eerst ontslagen worden, doch de jongste met een tijdelijke of recente vaste aanstelling, die evenwel vaak productiever zijn dan hun oudere collega´s met een vast dienstverband.

Het huidige stelsel wordt in brede kringen in de maatschappij als onrechtvaardig en als één van de hoofdoorzaken beschouwd van de hoge werkloosheid in tijden van crisis, die dan traditioneel boven de 20% oploopt. Evenwel, in Spanje vindt men het belangrijk dat werknemers bij niet gerechtvaardigd ontslag een schadevergoeding ontvangen. Slechts twee nieuwe partijen in het Spaanse politieke spectrum, "Vox", van conservatieve signatuur, en “Ciudadanos”, een liberale partij, menen in het zogeheten Oostenrijkse model de oplossing te zien. In het Oostenrijkse model wordt geen onderscheid gemaakt tussen vaste en andere dienstverbanden. In plaats daarvan bouwt iedere werknemer, welk dienstverband deze ook hebbe, gedurende zijn gehele loopbaan schadevergoedingsrechten op. De kosten van deze rechten worden, net als bij de WW en ZW, als premies ingehouden op het salaris. Bij niet gedwongen ontslag kan de werkenemer dan kiezen tussen het incasseren van zijn opgebouwde rechten of het meenemen daarvan naar zijn nieuwe werkkring. Indien de werknemer gedurende zijn loopbaan nooit gebruik gemaakt heeft van zijn opgebouwde ontslagrechten, kan hij deze aan het einde van zijn loopbaan incasseren als aanvulling op zijn pensioen.

De vakbonden en de linkse politieke partijen in Spanje zijn fel tegen op dit voorstel omdat hun leden resp. kiezers vooral te vinden zijn in de categorie bevoordeelde werknemers met een vast dienstveband. Vakbonden en linkse partijen gebruiken het argument dat in het Oostenrijkse model het de werknemer is die de kosten van zijn eigen ontslagvergoeding betaalt, i.p.v. de werkgever. Dit is natuurlijk een schijnargument, daar onder de huidige regeling de werkgever eveneens gelden moet reserveren voor ontslagvergoedingen, die hij, indien deze regeling niet zou bestaan, als extra salaris zou kunnen uitkeren aan de werknemer. In feite betaalt de werknemer altijd welke ontslagvergoeding dan ook, hetzij als loonderving, hetzij als premieheffing.

Het grote voordeel van het Oostenrijkse model is evenwel dat het de gewenste ontslagvergoeding toegankelijk maakt voor alle werknemers, de voor de Spaanse economie uitermate nadelige tegenstelling tussen vaste en niet vaste werknemers opheft, en de werkgever meer flexibiliteit geeft zijn personeelbestand aan te passen in tijden van crisis.

Vermogens Aanwasdeling (VAD)

De “Vermogens Aanwasdeling” was een geniaal idee van wijlen Joop den Uyl, die wenste dat de medewerkers aanvulling op het salaris kregen indien de winst steeg. De werkgevers en rechts Nederland stonden op hun achterste benen. Wat hij er niet bij vertelde was dat deze salarisaanvullingen navenant zouden verminderden indien de winst daalde. Zo verkocht hij het voorstel aan zijn toen zeer radicaal linkse achterban, de kiezers van zijn eigen PvdA en de vakbonden, net als hun huidige Spaanse tegenhangers, zeer vijandig gezind jegens werkevers en hogere inkomens. Het was evenwel het begin van het principe van de prestatie- en bedrijfsresultatenafhankelijke beloning, een element dat in de Nederlandse arbeidsverhoudingen niet meer weg te denken is en bij ons zo veel bijgedragen heeft aan het behoud van werkgelegenheid in tijden van crisis.

De linkse politieke partijen in Spanje, alsmede de vakbonden, willen van de VAD echter niets weten, geobsedeerd als deze nog steeds zijn met de utopie van vaste, veilige en risiscoloze dienstverbanden voor het leven. VAD en Oostenrijks ontslagmodel samen lijken evenwel fundamenteel te worden om werkgelegenheid te behouden in tijden van crisis.

Vakbonden en ondernemingsraden

De grote vakcentrales, CGT en CCOO, hebben nog steeds een macht die hen niet toekomt. Ze hebben inmiddels zo weinig leden dat zij van de ledencontributies niet meer kunnen voortbestaan. In plaats daarvan worden zij rijkelijk gesubsidieerd en via allerlei regelingen bevoordeeld. Eén van die regelingen betreft het recht op vakbondswerk. Net als in Nederland, is ook in Spanje ieder bedrijf dat meer dan een bepaald aantal medewerkers heeft, in Spanje ligt dat aantal bij 50 medewerkers, verplicht tot het instellen van een ondernemingsraad. In Nederland behoeven de leden daarvan geen vakbondsleden te zijn.

In Spanje daarentegen betekent het overschrijden van de grens van 50 werknemers dat één medewerker zich in het vervolg mag wijden aan vakbondsactiviteiten en daardoor volledig vrijgesteld is van het uitoefenen van de functie waarvoor hij was aangenomen, evenwel met volledige doorbetaling van zijn salaris op kosten van de werkgever. Deze persoon dient een vakbondslid te zijn.

Doordat vakbonden in Spanje het tegendeel zijn van democratisch georganiseerde instellingen, wordt deze vrijgestelde medewerker niet gekozen door de werknemers van het bedrijf, doch van boven door de directie van de vakbond aangewezen, waarbij de diverse bedrijven onder de vakbonden worden verdeeld. Ook al vanwege het ontbreken van een VAD of aanverwante beloningsstructuur, voelt de vakbondsvertegenwoordiger zich niet geroepen de belangen van de medewerkers te verdedigen en wordt op die manier een last voor het bedrijf en zijn collega´s. Vele bedrijven weigeren daarom meer dan 49 medewerkers in dienst te nemen, hiermee een belemmering vormend voor de groei van de werkgelegenheid. Er is een schatting dat Spanje door dit vakbondsprivilege permanent afziet van ruim 500.000 volledige banen.

De oplossing van dit probleem is vanzelfsprekend het democratiseren van de vakbonden en het invoeren van het onvervreemdbare recht van werknemers om hun belangen op eigen initiatief en zonder verplichte inmenging van vakbonden te verdedigen. Vanzelfsprekend moeten leden van een ondernemingsraad tijd kunnen hebben om hun werk te doen, doch van volledige vrijstelling van functie kan natuurlijk nooit sprake zijn.

Vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelasting (“impuesto de sociedades”) is met 25% in Spanje ongewoon hoog. Evenwel, door een veelheid van aftrekposten en vanwege de over het algemeen geringe omvang van de bedrijven in Spanje is er het gevoel dat deze belasting te weinig opbrengt. De wens bestaat bij de regering deze verder te verhogen, terwijl de tendens in alle landen om Spanje heen is deze te verlagen. De vrees bij economen is dat een verhoging van deze belasting de opbrengsten nog verder zal verlagen, ten eerste doordat het vele internationale bedrijven zal bewegen hun fiscale vestiging in een ander land onder te brengen, en doordat Spanje zich met het huidige tarief al behoorlijk aan de rechter kant van de Laffer curve bevindt.

Er is internationaal inmiddels voldoende ervaring opgebouwd met de vennootschapsbelasting om te weten dat het optimale tarief, datgene dat in absolute termen de meeste belastinginkomsten oplevert, tussen de 15% en 20% ligt; in het Spaanse geval zou een algehele verlaging van het tarief tot 20% met afschaffing van alle aftrekposten (met heldere regels voor welke posten als kosten opgevoerd mogen worden) een goede eerste stap zijn.

Overheden

Ambtenaren

Waar in Nederland ambtenaren gewoonlijk een vast dienstverband hebben volgens de algemene arbeidswetgeving, is dat in Spanje geheel anders. Om in Spanje ambtenaar te worden moet men toelatingsexamen doen. Dit zijn doorgaans veeleisende examens waarvoor kandidaten jaren lang studeren. De beloning is uitermate aantrekkelijk: een vaste aanstelling voor het leven, zonder mogelijkheid om ontslagen te worden, behalve door aantoonbaar en structureel wanpresteren, een criterium dat overigens zelden toegepast wordt. Niet alleen salaris en werk worden gegarandeerd, doch ook de omschrijving van de functie en de plaats waar deze uitgeoefend wordt. Vanzelfsprekend kan een ambtenaar promoveren, maar kan nooit tegen zijn wil overgeplaatst worden, behalve indien daar zeer zwaarwegende redenen voor zijn. Ten slotte kan de ambtenaar die het corps vrijwillig verlaat, niet opnieuw ambtenaar worden tenzij hij wederom toelatingsexamen doet. M.a.w. de Spaanse ambtenaar is dat voor het leven en is als zodanig eigenaar van zijn arbeidsplaats, een eigenschap die hij deelt met zijn Franse, Italiaanse en Griekse collega´s.

Het grote voordeel is dat men een ambtenarencorps verkrijgt dat niet afhankelijk is van de nukken en grillen van zijn politieke bazen, in een land als Spanje een belangrijk argument. Het grote nadeel is evenwel dat enige stimulans om te groeien in de functie of zelfs maar naar behoren te presteren, geheel ontbreekt. Het gesloten karakter van het ambtenarencorps zorgt er ook nog eens voor dat er weinig toetreding is vanuit het maatschappelijke middenveld, waaronder het bedrijfsleven, met als gevolg dat het Spaanse ambtenarencorps geïsoleerd functioneert t.o.v. de maatschappij. Het Spaanse gezegde dat één derde van de ambtenaren inderdaad werkt, één derde niets doet en het resterende derde deel ook niets doet en ook nog eens een keer tegenwerkt, heeft een kern van waarheid. Een uitzondering zijn het Spaanse leger, de politiecorpsen “Guardia Civil” en “Policía Nacional”, die wereldwijd als uitermate professioneel bekend staan, en de artsen en verplegend personeel die in de openbare gezondheidszorg werken.

In alle andere gelederen waar ambtenaren aan het werk zijn, zoals het onderwijs, gemeenten en regionale en landelijke overheidsdiensten, merkt men de gevolgen van het gebrek aan kennis en motivatie in een matige kwaliteit van de dienstverlening: slecht onderwijs, aanvragen die niet accuraat of niet op tijd behandeld worden, een langzame rechtsspraak, enzovoort; de overheid wordt in Spanje beschouwd als een last i.p.v. een bondgenoot waarop men kan vertrouwen.

Een flexibilisering van de arbeidsverhoudingen is onvermijdelijk waarbij prestatiebeloning, intern promoveren en solliciteren, en vrije toe- en uittreding vanzelfsprekende elementen dienen te worden. Voor functies waarvoor specifieke kennis vereist is zouden speciale opleidingen gecreëerd kunnen worden op WO of HBO niveau die dan de toelatingsexamens kunnen vervangen. Eveneens moet men gaan nadenken of mensen die in hulpdiensten werken, zoals schoonmakers, hoveniers, bewakers, vuilophalers, onderhoudsmonteurs, administratieve medewerkers e.d. wel ambtenaar moeten zijn en niet onder de reguliere arbeidswetgeving aangesteld kunnen worden.

Gezondheidszorg

Jaren lang goldt de Spaanse gezondheidszorg als één van de beste ter wereld vanwege de hoge kwaliteit van de Spaanse medici en verplegend personeel. De Spaanse gezondheidszorg is een openbare dienstverlening naar Brits model. Spaanse ingezetenen behoeven geen ziektekostenverzekering af te sluiten en de kosten worden geheel uit belastingopbrengsten gedekt. Er is weliswaar ook een private gezondheidszorg waarvoor men zich kan verzekeren en die een snellere en exquisietere behandeling belooft, maar die is volkomen vrijwillig.

De uitvoeringsbevoegdheid van de gezondheidszorg is geheel overgedragen aan de autonome deelstaten die van de centrale overheid daarvoor de benodigde financiële middelen ontvangen en vervolgens geheel vrij voor dat doel kunnen besteden. Dit gebrek aan controle heeft de autonome deelstaten vrij spel gegeven om met de gezondheidszorg geheel naar goeddunken om te gaan, hetgeen in de tussentijd tot een wildgroei heeft geleid van overbodige functies, het aanstellen van politieke vrienden voor bestuurstaken waarvoor het hen aan de kennis en ervaring ontbreekt en een algehele uitholling van de kwaliteit van de dienstverlening wat zich uit in overbelaste gezondheidscentra, te weinig ziekenhuizen en medisch personeel wat niet naar behoren wordt beloond, terwijl bestuurders topsalarissen opstrijken zonder dat die hoge beloningen gerechtvaardigd zijn. Een bijkomend probleem is dat iedere autonome deelstaat zijn eigen administratiesysteem heeft waardoor iemand uit de ene deelstaat geen vanzelfsprekende toegang heeft tot de gezondheidszorg van een andere deelstaat, plus dat de rechten en plichten van patiënten en zorgverleners niet uniform gedefinieerd zijn.

De gezondheidszorg is het schoolvoorbeeld van een verkeerd begrepen overdracht van bevoegdheden. De overheden, of die nationaal, regionaal of lokaal zijn, dienen de toegang tot de gezondheidszorg te garanderen, maar niet noodzakelijkerwijs de uitvoering daarvan voor hun rekening te nemen. De oplossing van het probleem dient onvermijdelijk gevonden te worden in het uitoefenen van budgettaire controle door de financier, d.w.z. de centrale overheid, het verenigen van administratiesystemen en databanken in één landelijk geheel en in de verzelfstandiging van gezondheidscentra. Dat laatste wordt al toegepast in sommige autonome deelstaten zoals Madrid, met als gevolg een algehele verbetering van de dienstverlening, beduidend lagere kosten en een hogere tevredenheid van de patiënt.

Onderwijs

Waar de openbare gezondheidszorg nog op enige reputatie kan rekenen, is dit met het openbare onderwijs in het geheel niet het geval. Het is al tientallen jaren het zorgenkind in Spanje. Evenals de gezondheidszorg is ook de uitvoeringsbevoegdheid van het onderwijs overgedragen aan de autonome deelstaten, en eveneens zonder zorg te dragen voor controlemechanismen voor kwaliteit en kosten. Het resultaat is een zwaar geïntervenieerd systeem waarbij schoolbestuurders en leerkrachten van boven aangewezen worden, schoolbesturen noch ouders enige zeggenschap hebben over essentiële aspecten als leerkrachtencorps, schoolregels en leermethoden en waarbij in vele autonome deelstaten ouders zelfs niet mogen bepalen naar welke school zij hun kinderen sturen (die wordt aangewezen op grond van woon- of arbeidsplaats).

Daarbij komt een zodanige ideologisering van het openbare onderwijs dat men zonder overdrijven kan vaststellen dat het een ideologisch speeltje is geworden in handen van twijfelachtige politici wier enkele bedoeling is perfecte socialisten, separatisten, nationalisten, katholicisten en wat voor “isten” je ook maar kan verzinnen te kweken, waarbij het welzijn en de toekomst van de leerlingen de laatste prioriteit is.

Evenals dat er private gezondheidszorg is, is er ook privaatonderwijs, voornamelijk op christelijke grondslag, waar iedere ouder vrij is zijn kinderen naar toe te sturen, maar dat zeer duur is met jaarlijkse terugkerende kosten van minimaal 6.000 €/leerling. De vraag ernaar is evenwel zeer hoog.

De politiek dient onvoorwaardelijk haar klauwen van het onderwijs af te trekken. De enige mogelijkheid hiertoe is radicale verzelfstandiging van alle openbare onderwijscentra op zodanige manier dat het in het vervolg de schoolbesturen zijn die beslissen over de sleutelaspecten van het onderwijs, welke zijn het aanstellen van leerkrachten, de onderwijsmethodiek, de schoolregels en de handhaving daarvan. De bevoegdheid voor het kiezen van schoolbesturen moet zoveel mogelijk komen te liggen bij lokale overheden, doch met medezeggenschap van leerkrachten en oudercommissies. Verder dient er volledige schoolkeuzevrijheid voor de ouders te zijn en dient de lerarenopleiding veel meer praktijkgericht te worden.

Soortgelijke maatregelen heeft men in Portugal doorgevoerd tussen 2008 en 2012 met voor de onderwijskwaliteit zeer bevredigende resultaten. Een graadmeter voor de tevredenheid van de bevolking is dat de vraag naar privaatonderwijs in dat land drastisch is afgenomen.

Er zijn mij geen grote verspillingen van geld bekend in het onderwijs in Spanje. In feite, Spanje spendeert minder dan Nederland gemeten in percentages van de begroting (9,97% versus 12,80% volgens de UNESCO). Evenwel, voorgestelde hervormingen in het onderwijs zijn van essentieel belang voor de toekomst van Spanje, die net als in ieder ander ontwikkeld land, nagenoeg volledig afhangt van de kwaliteit van de beroepsbevolking. Voor een uitgebreide uiteenzetting over de problemen in het onderwijs in Spanje: https://jfbakker.blogspot.com/2015/05/y-la-solucion-es-libertad.html.

Justitie

De scheiding van de drie machten die de staat vormen, de wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht, is in Spanje door politieke inmenging steeds verder onder druk komen te staan, terwijl systematische verwaarlozing van de justitie een tergend inefficient apparaat heeft gemaakt waar vonissen in gewone civiele procedures soms jaren lang op zich kunnen laten wachten.

In Spanje is de bevoegdheid over de benoeming van rechters, bevorderingen, overplaatsingen en inspectie in handen van de Algemene Raad voor de Rechtelijke Macht, in het Spaans “Consejo General del Poder Judicial” geheten. De samenstelling van deze raad moet iedere zes jaar door het Parlament met 60% van de stemmen goedgekeurd worden, hetgeen in de praktijk betekent dat de traditionele twee grote politieke partijen PP en PSOE het met elkaar eens moeten worden.

De huidige minister-president van Spanje, Pedro Sánchez Castejón van de socialistische PSOE, die met het uiterst linkse “Unidas Podemos” (UP) een wankele coalitie vormt, wenst dit keer eenzijdig de leden van de CGPJ te benoemen waartoe hij een wetsvoorstel ingediend heeft waarin een absolute meerderheid in de Spaanse Tweede Kamer (“Congreso”) voldoende is. De coalitie PSOE + UP heeft niet de benodigde absolute meerderheid en heeft daartoe de steun van een veelheid van kleine, vaak regionalistische splinterpartijen nodig die allen de onafhankelijkheid van de door hen vertegenwoordigde regio´s nastreven. Het aannemen van genoemd wetsvoorstel betekent in de praktijk het einde van de onafhankelijkheid van de rechtelijke macht in Spanje: ontoelaatbaar voor een vooraanstaand lidstaat van de Europese Unie.

De eerder genoemde politieke partijen "Vox" en "Ciudadanos" wensen dat de samenstelling van de CGPJ in het geheel niet meer in handen is van het Congres en in plaats daarvan bepaald wordt door coöptatie door de zittende leden van de CGPJ wanneer er een plaats vacant komt. Dit voorstel dient door de Nederlandse regering onvoorwaardelijk te worden gesteund waarbij ik zelfs nog verder zou willen gaan. Het ideale zou zijn dat de leden van de CGPJ, net zoals de leden van het Oppergerechtshof in de Verenigde Staten, voor het leven werden benoemd in plaats van dat zij collectief om de zes jaar worden vervangen. Om het prestige van de CGPJ te verhogen zou de benoeming op voordracht van de zittende regering na voorselectie door de zittende leden van de CGPJ door de Koning in plechtige zitting dienen te geschieden. In deze benoemingsprocedure komt de zittende regering weliswaar tussen beiden, maar, doordat de leden van de CGPJ voor het leven worden benoemd, kan het nieuwe lid na zijn benoeming onafhankelijk van de regering die hem voorgedragen heeft zijn werk doen.

Kiesstelsel

Men hoort vaak dat Spanje niet een democratie heeft, maar een partitocratie. Dit is een uitgeklede vorm van democratie waarin de politieke partijen een ongewenste greep hebben weten te krijgen op de maatschappij. De oorzaak is dat in Spanje men niet op personen, maar op politieke partijen stemt. Nu doen we dat in Nederland weliswaar ook, maar in tegenstelling tot in Nederland, waar men bij verkiezingen op een bepaalde kandidaat stemt van een lijst, kan dat in Spanje niet. Daar stemt men voor een politieke partij in zijn geheel, met alle kandidaten die op de lijst staan, zonder een bepaalde kandidaat voorkeurstemmen te kunnen geven. Men noemt dit een kiessysteem van gesloten lijsten, i.t.t. landen als Nederland, België en Duitsland die kiessystemen hebben met open lijsten.

Het onmiddellijke gevolg is dat volksvertegenwoordigers geen binding hebben met hun kiezers. Hierdoor is er traditioneel weinig belangstelling om lid te worden van een politieke partij en nog minder om daarvoor te betalen en daarin actief te zijn. Om toch te kunnen functioneren moeten politieke partijen (en ook vakbonden) een beroep doen op overheidssubsidies en andere minder ethische financieringsbronnen; een aantal politieke partijen en vakbonden hebben al problemen gehad met de justitie vanwege illegale financiering. Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat de politieke partijen in Spanje door de jaren heen zich georganiseerd hebben als pyramidale en weinig democratische structuren, gegroepeerd rond een almachtige president (of secretaris generaal) wiens visie niet wordt betwist en slechts prijs stelt op de de mening van de leden wanneer die strikt nodig geacht wordt, d.w.z. bijna nooit.

Er is nu een situatie ontstaan waarin politieke partijen elkaar op leven en dood bevechten en op geen enkele manier bereid zijn tot akkoorden te komen, juist nu het land in deze moeilijke tijden snakt naar eendracht en samenwerking tussen de verschillende politieke groeperingen om de ernstige economische en psychologische problemen het hoofd te kunnen bieden.

De overgang naar een kiessysteem met open lijsten zal hoog op het wensenlijstje van de Europese geldverschaffers dienen te staan, iets waar de bestaande politieke partijen, behalve wellicht de nieuwkomers “Ciudadanos” en “Vox” zich met hand en tand tegen zullen verzetten, daar het het opgeven van verworven macht met zich meebrengt. Evenwel, de enige manier om de huidige politieke partijen ertoe te brengen hun puur op machtsvorming gerichte politiek los te laten is het aanbrengen van mechanismen die ertoe leiden dat volksvertegenwoordigers banden creëren met hun kiezers, en politieke partijen met hun leden. Het openen van de kieslijsten is daartoe een belangrijke eerste stap. Een bijkomend voordeel is dat een kiessysteem met open lijsten op den duur een ander type politicus zal aantrekken, veel meer gericht op het dienen van de belangen van hun kiezers dan het verwerven van persoonlijke macht. Vanzelfsprekend zal dit de kwaliteit van het bestuur in Spanje blijvend verhogen.

Onderhandelen met de huidige Spaanse regering

Om onze invloedspositie in de Spaanse berotingsonderhandelingen te begrijpen moet men weten hoe de machtsverhoudingen in de Spaanse Tweede Kamer (“Congreso”) op dit moment liggen. Van rechts naar links in het politieke spectrum zijn deze als volgt na de verkiezingen van afgelopen 28 november 2019:

Vox: in Spanje wordt deze partij beschouwd als extreem rechts en zelfs fascistisch, maar naar Nederlandse verhoudingen zou deze partij een mengsel kunnen zijn van de conservatieve vleugel van de CDA en de SGP; zeer patriotisch en voorstander van strenge immigratiecontrole; 52 zetels.

Partido Popular: afgekort PP, een traditionale partij in Spanje, zeer goed vergelijkbaar met onze eigen CDA en Christen Unie, 88 zetels, eigenlijk 92 indien men de 4 zetels van enkele doorgaans met de PP meestemmende regionale splinterfracties uit de Grupo Mixto (zie onder) meerrekent.

Ciudadanos: de Spaanse versie van de VVD; 10 zetels.

Partido Socialista Obrero Español: afgekort PSOE, een oude bekende in de Spaanse politiek, de socialistische partij van Spanje, eens perfect homologeerbaar met de PvdA, maar steeds meer standpunten innemend die in Nederland bij de SP thuis zouden horen. Nu de grootste partij met 120 zetels.

Unidas Podemos: onvervalste communisten die in Nederland in feite niet meer bestaan, steunen openlijk separatistische partijen en worden ervan verdacht financiële banden te hebben met de regimes van Venezuela en Iran; niet te vergelijken met Groen Links of SP; 35 zetels.

Esquerra Republicana de Catalunya: afgekort ERC, de linkse republikeinen van Catalonië, streven openlijk naar afscheiding van Spanje; 13 zetels.

Plural: een amalgaam van linkse ecologisten en rechtse Catalaanse, Valenciaanse en Galicische separatisten; 12 zetels.

Partido Nacional Vasco: afgekort PNV, de Baskische nationalisten, streven naar zo veel mogelijk autonomie zonder voor afscheiding te pleiten; 6 zetels.

EH Bildu: de opvolgers van Herri Batasuna, eens de spreekbuis van ETA toen deze terroristenbeweging nog alom dood en verderf zaaide; in Nederland zou deze partij niet eens mogen bestaan; 5 zetels.

Grupo Mixto: een aantal doorgaans regionaal gebonden splinterpartijen van verschillende ideologie; toch nog goed voor 9 zetels, inclusief de 4 die doorgaans met de PP meestemmen.

Krachtsverhoudingen

Momenteel regeert dus een coalitie van PSOE en UP, die parlamentair ondersteund moet worden door ERC, EH Bildu en de meest linkse partijen van de fracties Plural en Grupo Mixto om wetten te kunnen aannemen. Deze coalitie trad aan in januari van dit jaar en de bedoeling was, na ruim drie jaar gefunctioneerd te hebben met een begroting uit 2016, nog door de vorige regering onder leiding van de PP aangenomen, een nieuwe expansieve begroting door te drukken die gefinancierd zou worden via belastingverhogingen. De covid19 epidemie heeft daar echter een dikke streep door getrokken.

De bezuinigingen en hervormingen die in de nieuwe begroting opgenomen moeten worden zullen echter door geen van de partijen die gedoogsteun verlenen worden ondersteund, terwijl coalitiegenoot UP alles zal doen om de bezuinigingen te verzwakken en de hervormingen tegen te houden.

De enige mogelijkheid om een geloofwaardige begroting aangenomen te krijgen is dat deze gesteund en onderhandeld wordt met onze zusterpartij Ciudadanos (PSOE + Ciudadanos = 130 stemmen voor) en PP plus satellieten, UP en eventueel PNV zich van stemming onthouden (135 onthoudingen). De overige fracties (85 zetels) zullen tegen stemmen. Een begroting is zelfs haalbaar met een tegenstem van coalitiegenoot UP en PNV (130 stemmen voor, 94 onthoudingen en 126 stemmen tegen), doch dit zal het einde van de coalitie betekenen met als gevolg nieuwe verkiezingen; gezien de op de spits gedreven traditionele vijandigheid tussen de grootste twee politieke partijen PSOE en PP behoort een grote coalitie (208 zetels), die in Duitsland en Nederland zeer gewoon is, niet tot de mogelijkheden.

Pedro Sánchez

Pedro Sánchez Castejón heeft zich ontpopt als een politiek handig en uiterst sluw personage. In 2014 volgde hij Alfredo Pérez Rubalcaba op als secretaris generaal van de PSOE. In 2016 werd hij afgezet, omdat hij geen gedoogsteun wenste te geven aan Mariano Rajoy van de PP, die in dat jaar de verkiezingen had gewonnen, maar alleen een regering kon vormen indien de PSOE zich van stemming onthield. Na de beëdiging van het nieuwe kabinet Rajoy moesten er in de PSOE nieuwe interne verkiezingen gehouden worden om een nieuwe partijleider te kiezen, die Pedro Sánchez geheel tegen de verwachting in wist te winnen.

In juni 2018 bracht hij de regering Rajoy ten val en slaagde hij er zelf in minister-president te worden via een motie van wantrouwen waarvoor hij de steun wist te verwerven van de communistische UP en de regionalistische en separatistische partijen. Zijn regering was evenwel net zo wankel als de centrum rechtse regering die hij ten val had gebracht, waardoor geen nieuwe begroting uitgebracht kon worden. Tegen de belofte in onmiddellijk na de motie van wantrouwen verkiezingen uit te schrijven deed hij dat eerst 10 maanden daarna, in mei 2019.

Pedro Sánchez won deze verkiezingen met 123 zetels en was er zelfs een mogelijkheid een stabiele coalitieregering met Ciudadanos te vormen die toen omhoog ging van 32 naar 57 zetels, maar geen van beide partijen toonde werkelijke bereidheid met elkaar samen te werken. Pedro Sánchez verkoos daardoor nieuwe verkiezingen uit te schrijven voor november van hetzelfde jaar, die zoals reeds bekend, weinig verandering brachten in de reeds uitgekristalliseerde krachtsverhoudingen in het Spaanse Congres. Deze keer koos hij echter eieren voor zijn geld en vormde een coalitieregering met UP met gedoogsteun van dezelfde regionalistische en separatistische partijen die twee jaar eerder de motie van wantrouwen gesteund hadden.

Gedurende de covidcrisis hebben we Pedro Sáchez leren kennen als een grillige en autoritaire persoon. Zijn beleid in de coronacrisis is te bestempelen als één lange trieste reeks van foute beslissingen. Ten eerste sloeg hij een tiental waarschuwingen van serieuze instanties in de wind dat er een gevaarlijke epidemie op komst was. Toen de eerste doden al gevallen waren werd nog de massieve demonstratie van 8 maart goedgekeurd plus een voetbalwedstrijd met publiek en een andere massa manifestatie die achteraf potente aanjagers van besmettingen bleken te zijn geweest. 

Vreemd genoeg werd de alarmtoestand pas zes dagen daarna afgekondigd met een overdaad aan ingrijpende maatregelen: sluiten van alle detailhandel behalve die voor hoognoodzakelijke levensmiddelen en medicijnen, horeca, scholen en culturele instellingen en een absoluut verbod het huis te verlaten behalve voor werk en boodschappen. Evenwel, doordat men de ernst van de situatie onderschat had, waren er geen medische hulpgoederen ingeslagen als zuurstofmaskers, testmateriaal en beschermende kleding voor medisch personeel, en waren er ook geen noodvoorzieningen getroffen zoals in Wuhan. Pas in april begon de deelstaat Madrid op eigen initiatief in congrescentrum Ifema een noodhospitaal te bouwen.

Evenwel, ondertussen moesten de vele ondernemers die hun zaak moesten sluiten wel hun belastingen en sociale premies door blijven betalen en werden pas maanden na de afkondiging van de alarmtoestand financiële noodmaatregelen getroffen t.b.v. ondernemers en werknemers wier salarissen niet doorbetaald kon worden. Door gebrek aan geld bij de overheid kwamen die maatregelen slechts druppelsgewijs tot stand en wachten vele gedupeerden nog steeds op hun geld.

Zwaar getroffen zijn ook artsen, verpleegkundigen en andere hulpverleners in ziekenhuizen, verpleeghuizen en bejaardentehuizen die hun werk zonder afdoende bescherming hebben moeten verrichten, vaak kleding inproviserend van vuilniszakken. Het voorlopige resultaat zijn tot op heden ruim 60.000 doden, waarvan de regering tot ver na het opheffen van de alarmtoestand ruim 15.000 niet heeft willen erkennen, d.w.z. Spanje heeft de trieste eer het record van verreweg de meeste coronadoden per 100.000 inwoners van geheel Europa te hebben gevestigd. Alle maatregelen zijn geïmproviseerd en zijn niet genomen op grond van wetenschappelijke argumenten en objectieve gegevens. Gedurende de alarmtoestand is de regering er altijd prat op gegaan bijgestaan te worden door een commité van experts, dat later nooit bleek te hebben bestaan.

Ook na de alarmtoestand konden de Spanjaarden het leven niet hervatten zonder een veelheid van beperkende maatregelen, waarvan wel de meest stompzinnige de verplichting is om ook in de open lucht mondkapjes te dragen op straffe van torenhoge boetes. Eveneens rust op kleine kinderen onder de 12 jaar de verplichting op school voortdurend mondkapjes te dragen, zelfs bij de gymles. Voor de goede orde: het langdurig dragen van mondkapjes is schadelijk voor de gezondheid daar het zowel de zuurstofopname als kooldioxideafgifte belemmert; dit paardemiddel, waarvan de effectiviteit wordt betwijfeld, zou in feite alleen gedragen moeten worden in omstandigheden waarin dezelfde mensen gedurende lange tijd op korte afstand in lucht van slechte kwaliteit (ongeventileerde binnenruimten, droge verontreinigde buitenlucht) bij elkaar zijn en dan nog alleen wanneer er contact is met kwetsbare groepen zoals in ziekenhuizen en zorginstellingen, en bovendien voor beperkte tijd.

Na de alarmtoestand werd de bevoegdheid over de anticoronamaatregelen gelegd bij de autonome deelstaten die alle hun best doen een nieuwe golf te voorkomen. Het heeft echter de regering van Pedro Sánchez niet belet eenzijdig in de deelstaat Madrid wederom de alarmtoestand af te kondigen met sluiting van detailhandel en horeca tot gevolg, ondanks dat de deelstaatregering de besmettingsgolf onder controle begon te krijgen, hiermee al het gedane werk te niet doend. Het toeval wil dat de deelstaat Madrid geregeerd wordt door een coalitie van PP + Ciudadanos en gesteund door Vox. Het handelen van de centrale regering in deze riekt sterk naar partijpolitieke motieven.

Pedro Sánchez en zijn regering zijn in de pandemie vele malen betrapt op onjuistheden in de berichtgeving, tegenstrijdige maatregelen, vergissingen en zelfs openlijk liegen. Gezien het leed en de schade die zijn aangericht in de vorm van doden, bedrijfssluitingen, werkloosheid en armoede dient onvermijdelijk de vraag gesteld te worden in hoeverre er geen boze opzet in het spel is geweest, want een incompetente bewindsvoerder kan zich één keer, twee keer, misschien drie keer vergissen, maar altijd?

De rol van Nederland

Nederland is in de tussentijd de onverklaarde woordvoerder en leider geworden van de groep die in Spanje minachtend de zuinige landen (los países frugales) wordt genoemd, waarschijnlijk op grond van onze standpunten en strengheid in de overigens succesvolle financiële reddingsoperaties van Portugal en Griekenland, rekenend onder deze “zuinige landen” behalve ons eigen Nederland, ook België, Luxemburg, Oostenrijk, Ierland, Zweden, Finland, de Baltische landen en natuurlijk Duitsland.

Spanje is door het grillige en falende optreden van Pedro Sánchez en zijn regering verworden tot economisch en psychologisch rampgebied en dreigt een destabiliserende factor te worden in de westerse wereld in het algemeen en in Europa in het bijzonder. Het land kan niet meer op eigen benen staan en moet door de Europese partners financieel geholpen worden, wat de Spaanse regering ook toegegeven heeft, waarmee de toestand in Spanje ons probleem is geworden.

Tegelijkertijd zijn door de vijandigheid tussen de grote politieke blokken stabiele regeringen niet meer mogelijk. Spanje heeft een algehele catharsis nodig die de Spanjaarden door de omstandigheden niet meer zelf in gang kunnen zetten. Die catharsis zal van buiten af opgelegd moeten worden en hier is de kans en de verantwoordelijkheid voor Nederland, als aanvoerder van de “zuinige landen”, om een leidersrol in dit proces te vervullen en daarmee Spanje te helpen zijn structurele problemen op te lossen en op deze manier onze westerse beschaving en ons eigen Nederland een enorme dienst te bewijzen.

Europese steunmaatregelen voor Spanje

De crisis in Spanje is een Nederlands probleem Spanje verkeert momenteel in zware problemen: het land heeft met 127 per 100.000 inwoners v...